Zonnige, beschutte standplaats. Luchtige, goed doorlatende grond met veel organische stof. Niet te kalkrijk (bonen houden van iets zure grond).
Zaaien buiten: vanaf half mei tot juli (na ijsheiligen)|Plantafstand: struikbonen 40 × 10 cm|Plantafstand: stokbonen 50–60 cm tussen stokken, 3–4 bonen per stok|Bodem moet warm zijn (> 10°C) voor goede kieming
Zaai direct in volle grond, bonen houden niet van verspenen|Stokbonen leiden langs stokken/netten|Regelmatig water geven, zeker bij bloei en peulvorming|Na de oogst stikstof in de grond laten via wortelknolletjes
Vlinderbloemige (Leguminosae)|Niet op dezelfde plek terug binnen 3 jaar|Vermijd teelt na andere peulgewassen
Maïs (drie zusters)|Pompoen|Wortel|Rode biet|Komkommer
Ui|Knoflook|Prei|Erwt|Venkel
Kleine brandnetel|Muur|Varkensgras
Bonenluis (zwarte luis)|Slakken|Schimmels bij nat en koud weer (smet, roest)|Muizenvraat bij kieming
Bonen zijn warmte- en lichtminnende gewassen die de bodem verrijken met stikstof. Ze passen goed in combinatieteelt (bijv. de drie zusters met maïs en pompoen). Let op luizen en zaai pas bij warme grond.